Vijftig jaar geleden fietste ik van de Spaanse grens naar Lissabon. Op Praia da Falésia, een strand bij Albufeira ontmoette ik Brylcreem. Ik zag hoe iemand iets stal, daarna belandde ik bij een vrouw in een huis op een heuvel en kwam ik van alles te weten over Peniche en het verzet tegen kernenergie.
Op het strand, op een plek met schaduw, ligt een grote blonde bruinverbrande man helemaal naakt. Zijn haar zit dik in de Brylcreem. Ik heb een beetje medelijden met hem. We groeten elkaar en na een paar uur praten we over van alles en nog wat: over de rommel langs de vloedlijn, het plastic langs de paden en rondslingerend wc-papier in de bosjes, maar ook over Fernando Pessoa.

Diefstal
Er zijn nog maar weinig mensen op het strand. Een eind verderop zwemt een vrouw best ver de zee in. Bovenop de klif staat een man te wachten tot zij ver genoeg van haar handdoek en haar tas is, rent dan naar beneden, pakt haar spullen en klautert weer omhoog. We zien het gebeuren, maar we zijn te ver weg om iets te kunnen doen. Als de consternatie voorbij is, gaan we met zijn drieën naar de politie. Een telefoon is er niet. Uren later staan we weer buiten. De politie doet steeds of ze ons niet begrijpen en zullen niets doen, denken, we. Bij het afscheid geeft de beroofde vrouw ons een pamflet, een A4 formaat ‘Géén kernenergie!’ staat er in het Portugees.
Kernenergie
Dat vel papier brengt mij terug naar Nederland. Ondanks verzet krijgt kernenergie er voet aan de grond. Begin jaren zestig beginnen de reactoren van het Reactor Centrum Nederland, in de duinen bij Petten, te werken. Foto’s van misvormde kikkers in een sloot bij het IKO-complex in het Amsterdamse Watergraafsmeer leiden tot paniek. Als in 1958 in Putten tijdens een medische ingreep een radiumkop afbreekt en ongemerkt verdwijnt in de neus van de vijfjarige Joke blijkt de nasleep enorm. Het grond rondom het huis van het gezin wordt met prikkeldraad afgezet, geigertellers slaan op hol en het huis wordt meer dan grondig schoongemaakt, er wordt zelfs opnieuw behangen en de woning wordt ook nog eens voorzien van een nieuwe schoorsteen.
De angst voor ziektes en misvormingen neemt toe.
In de jaren zeventig zijn er ook in Portugal plannen voor een kerncentrale. Ik begrijp dat de Portugezen zo’n ontwikkeling kunnen tegenhouden, niet met nota’s, maar met volkse koppigheid, fado en kunstenaars.
Brylcreem
Die dag dat Brylcreem voor mij een goedkope overnachting vlak bij het strand regelt zal een bijzondere worden. Hij geeft mij een briefje en ik ga op stap. Ik moet lang wachten voor een huis op de heuvel, mijn nieuwe logeeradres. Een hond bekijkt mij met één oog, alsof hij van mijn komst afweet. Rondom staan kromgroeiende en arabeske cactussen. De zon is uitgebloed en smelt achter de horizon. Plotseling, vanachter de gesloten luiken, klinkt luidkeels het alom bekende Rosalinda: Se Tu Fores Ver o Mar (Fausto Bordalo Dias, 26 november 1948 – 1 juli 2024).
De hond voor het huis springt op, rukt aan de ketting en zwiept met zijn staart. Zijn ogen glimmen in het horizonlicht. Ik vang woorden op over de verloedering van de zee, de stranden en de vervuiling door industrieën.
Een vrouw
Met een klap zwaait een luik open. Een vrouw steekt haar hoofd naar buiten. Een mooi smal hoofd met donker haar tegen de slapen geplakt. Als ze mij ziet, roept ze iets in het Portugees, steekt haar hand uit en wijst naar de voordeur. De deur piept. Onder een brandend peertje staan we elkaar aan te kijken. Ze is net zo oud als mijn moeder, maar het lijkt er niet op dat zij mij van alles zal verbieden. Ik ben benieuwd naar het verloop van deze ontmoeting, open als ik ben, zonder enige illusie en vooral hongerig. Wat is haar lot? Het mijne? En die van Rosalinda? Het duurt even voor ze een stap opzij doet en naar het einde van de gang wijst.
‘Heb je een briefje?’ Ik geef haar het papiertje dat ik van Brylcreem kreeg.
Ze glimlacht. ‘Slapen,’ zegt ze met een diep keelgeluid en loopt voor mij uit, de gang door, de achterdeur uit, regelrecht naar een houten hok. Als ze de deur opendoet, zie ik geen kippen maar een keurig opgemaakt bed.
‘Je bent de eerste op stok,’ zegt ze in het Engels. ‘Pak je spullen en kom daarna naar de keuken, dan eten en drinken we wat. En je moet meteen betalen.’ Ze zucht. ‘Vijfentwintig escudos.’ Dan verdwijnt ze in huis. Opnieuw zet ze Rosalinda op, nu harder. Terwijl de fado treurig door het huis galmt, wil ik haar ineens, in één stroom, een verhaal vertellen, dat het niet onze schuld is dat alles op deze wereld verkeerd gaat en dat we niet precies weten wat er allemaal om ons heen gebeurt. Als ze mijn bedenkelijke hoofd met donkere ogen en een bos zwarte krullen ziet, glimlacht ze. Ze kijkt mij aan en beslist dat we gaan eten.
De wijn klotst zo uit de hals van de fles bij mij naar binnen en ik voel meteen de roes in mijn hoofd. Ik ben zo moe dat ik mijn ogen niet open kan houden.
De hond
Als ik wakker word, lig ik samen met haar in bed. Ze ruikt naar stro en oud zweet. Op haar voorhoofd zit het haar geplakt. Op het moment dat ik vrees dat ze mij als een octopus zal omstrengelen, zegt ze ernstig ziek te zijn en dat ze blij is dat ik er ben. Beschaafd liggen we naast elkaar, er is geen biologische drift die ons in de war brengt of tot handelen dwingt. We liggen dromend naast elkaar. Ik voel een diepe vriendschap. Terwijl het ochtendlicht door de luiken naar binnen sijpelt en de hond piept, waarschijnlijk van de honger, luister ik naar haar ademhaling. Ik zou weken, maanden zo naast haar kunnen liggen. Dan wordt er hard op de deur gebonkt. Mijn hart dreunt. Ik hoor iets in het Duits en herken de stem van Brylcreem. Ze legt haar wijsvinger op mijn lippen en kust me op mijn voorhoofd. We luisteren hoe hij rond het huis loopt. De hond blaft. Met haar hoofd op mijn borst fluistert ze: ‘Het is mijn vriend.’
Wat is Portugal, met haar kunstenaars, haar fado, haar poëzie, haar literatuur, de zon en de zee, verfrissend in vergelijking met de Nederlanders en hun zompige gedachten. Zij pretenderen dichters te zijn, maar Pessoa, daar kan niemand tegenop. Tenminste, zo was het voor mij, en voor vele anderen. Pessoa was voor mij de grootste. Ook hij wist dat vooruitgang niet alleen verbetering betekende. Hij bezong machines en steden, maar zag ook hoe daarin het menselijke kon verdwijnen.
Waarom lukt het de noorderlingen niet om zich op poëtische wijze tegen het onrecht verzetten?
En ik mijmer: we zullen elkaar niet jatmouzen, geestelijk bedoel ik. Ik zal niets eisen, niets opeisen, maar geniet enkel van onze verbondenheid die zomaar is komen aanwaaien. Brylcreem loopt nog rond het huis en klopt op de luiken. We luisteren ademloos, dan slaakt ze een diepe zucht en wordt het stil. De volgende ochtend worden we badend in het zweet wakker. Ze staat op en zet weer de fado van Rosalinda op.

Peniche
‘Je wilt weg,’ zegt ze.
‘Ja, ik moet verder, naar Lissabon, naar het café van Pessoa. De schrijver en zijn drie heteroniemen, zijn vriendschappen.’
Het is lang stil. Ze zegt dat ze ziek is en dat er in Portugal geen hoop is op verbetering. ‘Alle bergen, valleien, rivierdalen, duinen, de langgerekte stranden en de zee kunnen mij niet helpen. We moeten het landschap een stem geven. Onze mensen moeten terug naar de aarde en geen centrale bouwen.’
‘Als je naar zee gaat, naar het strand, pas dan op dat je niet in de vuile olie stapt. Daar gaat het lied Rosalinda over.’ Ze verrast me, we kijken elkaar aan, onze ogen versmelten, één en dezelfde blik. ‘Ken je Peniche, Ferrel?’
‘Nee.’
‘Ga erheen en praat met de mensen. Zeg mijn naam. Ze willen daar een kerncentrale bouwen. Dat zal nooit lukken.’
‘Dat zal ik doen.’
Ik haal mijn spullen uit het verbouwde hok en als ik haar een kus geef, durf ik haar niet aan te kijken. Vol verlangen, maar ook angstig spring ik op mijn fiets. De hond wil mij volgen en piept. Ik schreeuw dat ik terugkom. Peniche ligt een eind van Lissabon. Wie wil daar in godsnaam zo’n centrale bouwen vraag ik me al fietsende af. Achterlijke communisten denk ik nog jong en zeker van mijn verdenkingen.
Later las ik in de krant dat men vijf kilometer van Peniche een kerncentrale wilde bouwen. Maar het ging niet door, want er waren veel demonstranten en niet van het soort dat na één regenbui afdruipt. Het terrein werd lange tijd bezet door tegenstanders.
Die tijd was alles Ferrel dat de klok sloeg. In heel Portugal werden protestacties georganiseerd. De mooiste actie van de bewoners van Ferrel was dat zij duizenden telegrammen naar politici stuurden. Demonstranten legden bouwwerkzaamheden stil en vernielden apparaten. In Nederland kwam men niet verder dan een paar spandoeken en wat gejoel.
In januari 1978 werd in Caldas da Rainha en Ferrel het festival Pela Vida Contra o Nuclear gehouden. Duizenden mensen zongen met Fausto Bordalo Dias mee. Het lied Se Tu Fores Ver o Mar werd een van de bekendste liederen van die beweging.
Nederland had zijn ‘Welterusten, mijnheer de President’ al achter de rug, maar in Portugal hadden ze Rosalinda én Pessoa. Misschien was dat het verschil, dat het protest daar niet alleen uit leuzen bestond, maar ook uit liederen, poëzie en een boven de mens uitstijgende wilskracht. De centrale zou er door al die protesten niet komen. De Portugezen hielden stand en begonnen de stranden van plastic te ontdoen. De ontvolking van de oorspronkelijke bewoners moest nog aanvangen. Ik was een van de eersten die voelde dat ik een pottenkijker was. Van wat? Van hoe de Algarve en haar bewoners langzaam wachtten op een deceptie? Al dacht ik toen dat het niet lang meer zou duren voordat de mensen van de oh zo mooie Algarve moderne slaven van een toeristeneconomie zouden worden. En dat deze zwakke tot slaaf gemaakte en uitgebuite bevolking zich niet zou kunnen verzetten.
Was het echt zo? Ja, zo was het was toen min of meer en zo ongeveer is het nu.
Plotseling herinner ik mij haar naam. Mischa.




Geef een reactie