Door gastschrijver Luís Graça.
Coimbra-B
25 maart 2004, 14.13 uur. Coimbra-B. Station van de Portugese spoorwegen (CP).
Deprimerend. Zoals alle B-stations ter wereld. Zoals alle Portugese stations. B, van de tweede klasse. B, de tweede letter van het alfabet.

Alle spoorwegstations ter wereld zijn deprimerend. Misschien maak je een uitzondering voor een spoorweghalte. Die zijn mooi. Of beter gezegd: de spoorweghaltes van de CP waren mooi. In de tijd dat er nog de ploeterende landarbeider was, de ezel, de os en de koe uit de kerststal, het span ossen en de ploeg. De boer, o Zé Povinho. De eenvoudige Portugese landman, tegelijk boer en lastdier. Trekdier. De moestuin, met de directe toegang tot de velden. De moestuinen. De blauw-gele tegeltableaus van Viúva Lamego. En de vier seizoenen.
Het woord spoorweghalte ontroert je. Het doet je denken aan de tijd waarin men naar de moestuinen ging. Jij behoort al niet meer tot die tijd. Maar de inwoners van Lissabon trokken vroeger naar de moestuinen van de boeren uit de omgeving: Benfica, Porcalhota, Pontinha, Sintra, Caneças, Colares…
Ze hielden picknicks, zongen fado, riepen: Leve de Republiek! en: Weg met de Koning, weg met de Paus! En ook: Weg met het Kapitaal! Ondertussen dronken ze wijn met een rietje.
Je houdt van het woord spoorweghalte. En van het idee om op zondag naar de moestuinen te wandelen. In de tijd dat de semana inglesa (een werkweek met een vrije zaterdagmiddag) nog niet bestond en men van zonsopgang tot zonsondergang werkte. Op zondag ging men met het hele gezin met de trein naar de moestuinen. De trein tufte langzaam voort. Net zo langzaam als het leven zelf.
Je hebt dat ergens gelezen, in een verhaal over de spoorwegen die het land van noord tot zuid met elkaar verbonden. We hebben veel te danken aan de treinen. En aan de spoorwegarbeiders. En aan de ingenieurs die de wegen en bruggen ontwierpen. En aan de arbeiders die ze bouwden.
Uiteindelijk hebben wij ook veel te danken aan de gewone man, zowel op het platteland als in de stad. Om zijn geduld. Zijn volharding. Aan zijn vindingrijkheid en vakmanschap. Aan Fontes. Aan Pereira. Aan Melo. Aan het fontismo.1 De Portugese naam voor het kapitalisme, had je ergens gelezen, in een samenvatting van een geschiedenisboek.
In die tijd stopte de trein nog bij elk station en elke halte. Er was tijd. Niemand had haast. Stress bestond toen nog niet, dacht jij. Men plukte rode klaprozen tussen het koren. Er was eenvoudigweg geen tijd om stress te hebben. Men stierf jong. Zelfs koningen en koningsmoordenaars. De gemiddelde levensverwachting is uiteindelijk slechts een statistisch gegeven. Of men werd geboren toen het eigenlijk al te laat was, zonder nog de tijd te hebben kinderen en kleinkinderen te zien opgroeien.
Maar er lagen nog geen bommen in treinen. Geen bommen die met één druk op een mobiele telefoon tot ontploffing konden worden gebracht. Nieuwe technologieën zijn, wanneer ze verschijnen, tegenwoordig immers — althans in theorie — voor iedereen beschikbaar.
Je corrigeert jezelf. Ruim tachtig jaar geleden plaatsten spoorwegarbeiders in het bezette Frankrijk óók bommen. Onder de rails. Ze vernietigden hun eigen werkplek in naam van de vrijheid. Ze brachten explosieven aan om treinen te laten ontsporen. Sabotage. Verzet tegen de nazi-bezetter. Vive la France. Vandaag zouden zij als internationale terroristen worden opgejaagd en berecht voor het Internationaal Strafhof in Den Haag. Les partisans.
Jij bent geen spoorwegarbeider. Geen verzetsstrijder. Geen terrorist. Je staat gewoon op station Coimbra-B. Coimbra verdient op zijn minst een station A. Dit land, de voorbeeldige leerling van Europa, verdient eigenlijk ook een A. Desnoods alleen voor een spoorwegstation. Coimbra-A. Niemand vindt het prettig om op de tweede plaats te eindigen. Zelfs niet op het podium.
Via de luidspreker klinkt een schelle stem: Alfarelos! Met tussenstops… niemand weet precies waar. Je hebt eigenlijk nooit geweten waar Alfarelos ligt. Tenminste, als het al op de kaart bestaat. Maar het zal er wel zijn. Op de lagere school leerde je alle spoorlijnen uit je hoofd. En alle stations en haltes. Zelfs al had je nog nooit met de trein gereisd. Jij was tenslotte aan zee geboren. Alfarelos ligt ergens in het diepe binnenland van jouw land. Net als Freixo de Espada à Cinta. Bijna niemand weet waar dat ligt. In de Algarve zegt men nog altijd: “Dat ligt voorbij Freixo de Espada à Cinta.”
Je bent meegereden vanuit Viseu. Veel dank daarvoor. Nu wacht je op de Alfa Pendular naar Lissabon. Of beter gezegd: Lisboa SA. Volgens de dienstregeling komt hij om 15.16 uur aan.
Lisboa SA? Lissabon, Santa Apolónia? Nee, Lissabon, Sociedade Anónima. Naamloze Vennootschap!

Je verbetert de loketbediende achter zijn glazen bunker. Bril. Pet met klep. Nee, je wilt niet naar Santa Apolónia. Je wilt naar station Oriente. En daarna… Wat zou de schrijver Zé Cardoso Pires daarvan gezegd hebben?
De bijziende loketbediende, die namens de CP spreekt, kijkt je vragend aan.
“Conforto ou turística?”
Hij neemt je op alsof hij je maat wil opnemen. Of de stand van je bankrekening probeert te raden.
“Tweede klas, alstublieft.”
“Turística…”
Tweede klas, automatisch toegewezen aan wie geen uiterlijke tekenen van rijkdom vertoont. Klasse B.
En jij dacht nog naïef dat de tweede klas allang was afgeschaft. Tweedeklastreinen. Tweedeklassemensen. Een tweederangsland in het concert der naties.
Ach, oude José Rodrigues Miguéis (Portugese schrijver van onder andere het boek Gente da Terceira Classe)… en jouw mensen reisden nog derde klas. Beneden in de stinkende ruimen van de vrachtschepen die koers zetten naar de Nieuwe Wereld. Naar de Amerika’s. Naar Brazilië.
Misschien had je het verkeerd begrepen. Ook de treinen en de CP zijn inmiddels gedemocratiseerd.
Nu bestaat er alleen nog conforto e turística. In de Alfa Pendular is plaats voor alle gevoelens en alle maatschappelijke lagen. Portugal NV is niet langer een klassenmaatschappij.
“U bent duidelijk geen regelmatige reiziger van de CP, mijnheer. De tweede klas bestaat al lang niet meer.”
Je hebt tijd. Of je dénkt tenminste dat je tijd hebt. Niets is leerzamer dan op een station van het type B op een trein te wachten. Dan ontdek je wat tijd eigenlijk is. Het is prettig om tijd te hebben. Een uur te vroeg. Geen stress. Denk niet aan de dood. En ook niet aan Charon, de veerman van de onderwereld.
Stress kan dodelijk zijn. Net zo dodelijk als een kogel uit een Kalasjnikov (Russisch automatisch geweer).
Je koopt een armetierige sandwich in het stationsbuffet. Je drinkt een lauwe Topázio, een lokaal bier. Bij de kiosk koop je een boek van Zé Cardoso Pires: De republiek van de raven. Vijf euro. Je slentert over het perron. Zoals een gevangene rondjes loopt op de binnenplaats van de gevangenis.
En je leest het enige interessante dat aan de muur van station Coimbra-B is bevestigd. Iemand heeft het daar laten aanbrengen. Jij denkt dat het van brons is (je bent niet goed in het herkennen van metalen): “Vanaf dit perron van station Coimbra vertrok op 15 mei 1982 Zijne Heiligheid paus Johannes Paulus II.”

De maker van de gedenkplaat wilde het station noch de stad tekortdoen. Wat zou het pauselijke hof daarvan gevonden hebben? En de hoogwaardigheidsbekleders? En de toeristen die de stad van de geleerden bezoeken? En de generaties na ons? Zelfs de archeologen over duizend jaar?
Maar de plaquette hangt er nog steeds. Voor de geschiedenis. Voor de verstrooide reiziger. Voor de haastige passant. Of misschien voor helemaal niemand. Alleen voor de Geschiedenis. Zelfs als er over duizend jaar geen Geschiedenis met een hoofdletter meer bestaat.
Want wie leest er in dit land eigenlijk nog? Laat staan bronzen gedenkplaten aan B-stations van de CP. Misschien schroeft ooit een archeoloog, historicus of antiquair de plaat van de muur om haar mee naar huis te nemen. Naar een museum. Naar een antiekwinkel. Of gewoon naar de rommelmarkt.
Toch gebeurt er niets op station Coimbra-B. Behalve dat hier ooit een pelgrim is langsgekomen. Johannes Paulus II. Op een dag, in 1982. Hier kwam, in de persoon van zijn vertegenwoordiger op aarde, Christus zelf voorbij. Men zei dat hij een Pool was. Jij hebt nooit zijn diplomatieke paspoort gezien. Evenmin zijn geboorteakte. Je weet weinig van metalen. En nog minder van theologie. Maar zo lees jij die gedenkplaat. Excuses aan de CP. Aan het gemeentebestuur. Aan de professoren van Coimbra. En natuurlijk aan Zijne Heiligheid.
Op weg
De Alfa Pendular rijdt precies op tijd het station binnen. Just in time. Zoals aan de post-Tayloristische assemblagelijn van AutoEuropa. Je stapt in en voelt je bijna Europeaan. Aan het uiterste westelijke puntje van West-Europa. Met de Mondego vlak naast je. Vergeleken met de grote Europese rivieren is ook die maar een rivier van tweede of derde klasse. Je bewondert de efficiëntie van de postindustriële, kosmopolitische samenlevingen.
Je hebt meneer Taylor en zijn Principles of Scientific Management nooit echt leren kennen. Provinciaal en gezapig, jouw land, zou Eça de Queirós zeggen.
De Alfa versnelt. In het geheim voel je een bijna zelfmoordachtige fascinatie voor hoge snelheid. Je vindt de zeventien euro, inclusief vijf procent btw, goed besteed. Dat streelt je eigenwaarde. Een ritje op de draaimolen van de kermis in september uit je jeugd kostte vroeger maar een muntje. Ook je ego doet het goed. Niet gemakkelijk in een land dat de treinen alleen maar voorbij ziet rijden. Zeker niet na die armzalige sandwich en dat lauwe Topázio-bier, staand aan de toog van het troosteloze stationsbuffet.
“Hoe hard gaat hij?”
“Tweehonderd… misschien nog harder”, zegt een jongen met een oorbel.
Je wedt niet. Je houdt niet van gokken. Je bent die solidariteit met de kansspelen kwijtgeraakt. Je koopt geen loten meer en speelt geen voetbalpool. Moge de Santa Casa da Misericórdia je dat vergeven. Net de armen die zij al eeuwenlang ondersteunt.
“Een kaartspelletje om de tijd te doden?”
Je bedankt vriendelijk. Je hebt geen ondeugden. Je gokt niet. Je rookt niet. Je hebt boeken om te lezen. En werkstukken van studenten om na te kijken.
De Alfa vertraagt ergens in de buurt van Albergaria dos Doze. Je keert terug naar de middeleeuwen van je nationale geheugen. De pelgrimsroute naar Santiago. De herbergen. Je bevindt je nu op grond die ooit van de Moren was. La folie meurtrière de la religion. Allah is groot en heeft vele profeten. De Moren en de Mozaraben waren uitstekende tuinders.
De conducteur komt langs.
“Volgens de dienstregeling arriveren we om 17.06 uur precies op station Oriente.”
Zijn stem verraadt trots.
“Eindelijk vertrekken en arriveren de treinen in ons land volgens de dienstregeling.”
Je voelt altijd een steek van jaloezie wanneer je in Amsterdam of Leiden bent. Tenminste, toen je nog naar Nederland ging. Naar het buitenland, bedoel je.
Atocha
De man met de drankkar verschijnt.
“Wilt u iets drinken?”
“Een Prozac, alstublieft.”
“Het spijt me, die is op.”
“Werkelijk?”
“Opgeraakt tijdens onze laatste reis naar de hel. Elf maart van het jaar des Heren 2004. Station Atocha.”
Op de ochtend van 11 maart 2004 ontploften tien bommen in vier overvolle forensentreinen die onderweg waren naar station Atocha in Madrid. De gevolgen waren verwoestend: 193 doden.
“Atocha?”
“Ja, Atocha. Madrid. Leest u dan geen kranten?”
Je antwoordt dat je geen kranten leest. En ook geen televisie kijkt. Je legt uit dat je net uit ‘Cavaquistão’ bent teruggekeerd.
Cavaquistão is een ironische bijnaam voor Viseu en de omliggende regio. Het woord is een samentrekking van: Cavaco – verwijzend naar ex-president Aníbal Cavaco Silva, die in Viseu erg populair was, en -istão – het achtervoegsel uit landnamen als Paquistão en Afeganistão.
De verkoper krijgt medelijden met je onwetendheid. Hij schakelt vanzelf over op het Spaans.
“In Madrid zijn er twee grote spoorwegstations: Chamartín en Atocha. Beide bedienen zowel langeafstandstreinen als de regionale treinen…”
“Muchas gracias”, antwoord je. Je wist werkelijk van niets. Je bent al jaren niet meer in Madrid geweest. Je leeft met je rug naar Europa.
De man vervolgt:
“Atocha ligt in het zuiden van de stad, vlak bij het centrum. Van daar vertrekken alle langeafstandstreinen naar het oosten en het zuiden van Spanje.”
“Muchas gracias”, herhaal je.
De man van de koffie, thee en frisdrank blijkt een bereisd mens.
“Ik doe alleen het Iberisch Schiereiland.”
“Ah… het stenen vlot.” 2
“Pardon? Ik ben geboren in Entroncamento. Zoon en kleinzoon van spoorwegmensen. Treinen zitten me in het bloed. Maar Spanje… dat blijft voor mij pure emotie. Wat daar gebeurd is, was een verschrikkelijke tragedie.”
“Bent u niet bang voor de toekomst van de trein?”
“Nee. Met vliegtuigen was het precies hetzelfde. Luchtpiraten. Bommen… Uiteindelijk moet een mens toch zijn brood verdienen. Op de een of andere manier.”
Hij haalt zijn schouders op.
“Ach… het leven gaat verder. Terrorisme, oorlogen… uiteindelijk gaat dat allemaal voorbij.”
Uiteindelijk bestel je toch een Compal-appelsap, meer om jezelf af te leiden van het gesprek over Atocha dan omdat je er zin in hebt. Denk maar niet meer aan bommen in de toiletten van treinwagons. Er is niets grappigs aan om te sterven. En al helemaal niet om aan flarden te worden gereten in het benauwde toilet van een trein door een tijdbom. Normaal bestel je nooit appelsap. Je weet eigenlijk niet waarom je juist nu voor een Compal hebt gekozen. Het gebeurt zelden dat je de trein neemt. Nog zeldzamer dat je aan bommen denkt.
De oorlog
Er was een tijd waarin je aan mijnen dacht. Antitankmijnen. Antipersoneelsmijnen. Mijnen. Bailarinas (opspringende mijnen). Het dodelijke ballet. Onder de Berliets, de GMC’s, de Unimogs (militaire voertuigen). En onder je eigen voeten.

Je bent geboren in een streek waar geen treinen reden. Dat vreemde gemis draag je al sinds je jeugd met je mee. Toch smaakt het appelsap verrassend goed. Men zegt bovendien dat hij beter werkt dan een kop koffie om je wakker te houden. Vooral wanneer je om drie uur ’s nachts moet vertrekken uit Xime. Naar de Ponta do Inglês. Waar de hinderlaag een tragisch verloop had. 3
“Ponta do Inglês?”
“Ja.”

Bron: Weblog Luís Graça & Camaradas da Guiné
Aan de monding van de rivier de Corubal (in het huidige Guinee-Bissau). Vierduizend kilometer hiervandaan. In het wereldwijde dorp. Daar waar de granaten uit het stadje Xime je niet konden bereiken. De 10,5 centimeter-houwitser had een kort en accuraat bereik.
Je verliet het ouderlijk huis al toen je nog nauwelijks een jongen was. Het zit blijkbaar in je bloed. De zee roept. De zeeman die je nooit bent geworden. In werkelijkheid heb je een hekel aan knooppunten. Aan wegknooppunten én spoorwegknooppunten. Aan zandwegen. Aan spoorlijnen. Aan kruisingen. Aan het treinstation Entroncamento. De eerste keer dat je er kwam, stelde het niet veel voor. Een handvol slecht gewitte huizen. Een wirwar van spoorlijnen. De geur van olie en van oud ijzer.
Toch koester je een onverklaarbare heimwee naar vertrekperrons. Naar de zee. Naar de geur van zout. Er zijn woorden die iets in je losmaken. De kade, de inschepingskade. De vertrekkade.

Niassa. Rocha Conde de Óbidos. Een trein die midden in de nacht aankwam. Stil. Droevig. Afkomstig van het militaire kamp van Santa Margarida. Bestemming: Lissabon. Met een andere eindbestemming verborgen in zijn lading: Bissau. Iemand had in de nacht met een spuitbus op de laatste wagon geschreven: “Lading: kanonnenvoer.” Het was het voorjaar van 1969. Een ander voorjaar. Een voorjaar dat nooit werkelijk is aangebroken.
“Politiek, stomkop!”
De politieke lente van Marcelo Caetano. Je was jong. Je zag geen licht aan het einde van de Rossio-tunnel. En al helemaal niet de lichten van de Lichtstad: Parijs. Je miste de laatste trein naar Parijs. Samen met je vriend die schilder wilde worden: Fernando Nobis. Misschien stopte die trein wel in Atocha. Je kende de naam van het station toen nog niet. Je was nog nooit buiten je streng bewaakte land geweest. Je wilde El Greco zien, Velázquez, Goya, de grote Spaanse meesters in het Prado.
“Ben je gek geworden? Met de PIDE achter je aan én de Guardia Civil aan de grens?”
Viseu
In Viseu scheen de zon. Maar het was koud. Diep in Portugal. Het land dat in beweging is, zeggen ze. Wanneer je in een hotel verblijft, lees je altijd de plaatselijke krant. Het hotel had twee sterren. Nieuw. Nog naar verf ruikend. Goedkoop meubilair. Smakeloze inrichting. Maar een uitstekende bediening. En huisgemaakte maaltijden. Het meisje achter de bar had gezonde, blozende wangen. Toch werd het ’s nachts koud.
“Een voyeur…, denkt het meisje achter de bar.”
De krant telt acht pagina’s. Lokaal nieuws. Kleine advertenties. En twee volledige pagina’s met contactadvertenties. Roze pagina’s.
“De Braziliaanse met de mooie billen…”
“De studente die orale seks aanbiedt…”
“Het speelse mulattenmeisje…”
De codetaal van de eenzaamheid. Van droevige, eenzame seksualiteit.
“Mijn God… wat is Viseu gegroeid!”
En God had blijkbaar even niet opgelet. Of de stad ook goed gegroeid is, weet je niet. Je bent hier immers geen inwoner. Het Polytechnisch Instituut. De Viriato-tunnel. De colloquia. De debatten. De ideeën. De intellectuelen en kunstenaars die van buiten komen. De handel. Het toekomstige Forum. De grootstad Viseu. Bijna vierhonderdduizend inwoners. De trots om uit Cavaquistão te komen. En waar degenen die daar vandaan komen de lakens uitdelen.

En wat is er eigenlijk geworden van het 14e Regiment Infanterie? Weet je dat niet? Het roemrijke RI 14, dat belangrijk is geweest in de Anjerrevolutie?! De oorlog is voorbij, baby. Voor de stad was dat prima. Het regiment hield tenminste de middenstand levend.
“Ruas, jij bent uit graniet gehouwen!” staat er als graffiti op een muur. Je vermoedt dat Ruas de leider van de stam is. Niets past beter in de streek van Grão Vasco dan een goede graffititekst.
“Bewonder de ondernemingszin van de mensen uit de Beira.”
“Het enige wat ons nog ontbreekt, is een universiteit. Meer dan tienduizend studenten aan het polytechnisch instituut hebben we al.”
“Ze hebben ons de faculteit Geneeskunde afgepakt, die schurken uit Covilhã.”
Weer zo’n lobby uit de Beira, die van Covilhã. Je merkt hoe trots de jongens en meisjes van de Studentenvereniging van de Hogeschool voor Verpleegkunde in Viseu zijn. Elk jaar organiseren zij hun studiedagen. Intussen lopen ze al rond in zwarte academische cape en toga, alsof de universiteit er elk moment kan komen.
Het land beweegt. Viseu beweegt. Het diepe binnenland beweegt. Cavaquistão beweegt. De jongeren van dit land komen in beweging. Zelfs in hun zwarte toga’s, gekleed als de raaf van Zé Cardoso Pires.
Aankomst
16.30 uur. Je hebt even een dutje gedaan. Een stukje van de wereld is ongemerkt aan je voorbijgegaan. In je dromen bezocht je opnieuw andere inferno’s. Xime. Ponta do Inglês.
“De Alfa rijdt honderdvijftig… nee, honderdvijftig? Honderdveertig, jongen.”
Op het display lees je: Temperatuur binnen: 19 °C. Buiten: 20 °C.
Dan begint de trein af te remmen. Stilstand. Langs het spoor zie je een bord met een S. Even verder een M. Van spoorwegsignalering begrijp je niets. Er wordt aan de lijn gewerkt. Modernisering. Je voelt een oprechte waardering voor de anonieme arbeiders die bouwen aan de spoorwegen van de toekomst. Oekraïners. Afrikanen. Guineeërs. Migranten. Mensen zonder papieren. Je ziet hun gezichten niet. Je kent hun paspoorten niet. Net zo goed hadden ze in de kassen van Almería kunnen werken. De hel op aarde. Daar zijn het de arbeiders uit de Maghreb. Het nieuwe proletariaat van de eenentwintigste eeuw.

Je stapt uit op station Oriente. De zakenman naast je grijpt onmiddellijk naar zijn mobiele telefoon.
“Laat iemand van het bedrijf me komen ophalen.”
Even verder roept iemand: “Hé kerel, Benfica wordt uitgezonden op Sport TV!”
En de Alfa rijdt alweer verder. Het landschap verandert. Het industriële landschap van het Taagbekken. De nietsontziende inpalming van de lezíria. Ze hebben de campino’s en het gado bravo 4 uitgeroeid. En de flamingo’s. En de oesters. Les petites Portugaises.
Het witwassen van geld dat overal in dit nieuwe Lissabon van het Nabije Oosten lijkt rond te stromen. Na Expo ’98. Het uitbundige station Oriente. De pronkzucht van de rijken. Calatrava, Het witwassen van geld dat overal in dit nieuwe Lissabon van het Nabije Oosten lijkt rond te stromen. Na Expo ’98. Het uitbundige station Oriente. De pronkzucht van de rijken.
Precies op tijd. 17.06 uur. Je bent er. Een teleurgestelde reiziger mompelt: “Was het maar de TGV!”
Nee. Het is geen TGV, mijn beste. Op een dag zal die wel komen. Dat verzekert de loketbediende van de CP. Dezelfde met zijn bril. Zijn pet met klep. En zijn zwarte mouwbeschermers. Dat stelt je gerust. Het is geen TGV. Maar ooit zal hij er zijn. Ook al zal hij Coimbra-B misschien voorbijsnellen zonder te stoppen. Met driehonderd kilometer per uur. Jij hebt in elk geval genoten van de reis. In de toeristenklasse, uiteraard. Van Coimbra-B naar Lissabon SA.
Je hebt onderweg de tijd gehad om je gedachten een beetje te ordenen. Of misschien juist te ontregelen.
“Het land dat de treinen voorbij zag komen…”
En de jongen met de oorbel had gelijk. “Op het laatste stuk haalt de Alfa Pendular echt tweehonderdtien kilometer per uur.”
Misschien zul je ooit nog trots zijn op de Portugese spoorwegen. En op het land waar je aan zee bent geboren. Een land waar je nooit een trein voorbij zag komen. In jouw geboorteplaats reden geen treinen. En nog steeds bereiken ze Viseu niet.
Een groet aan de Viriatos, de bijnaam voor de inwoners van Viseu.5
Tot volgend jaar. Als ze je opnieuw uitnodigen, kom je terug. Met de bus. Met de Rede Expressos. Over al die IP-wegen. En terug met de trein. Tenminste… als niemand de trein die in Coimbra-B stopt saboteert.
Wanneer je afscheid neemt van de barman, beloof je hem één ding: je zult Atocha nooit vergeten. Nooit. En evenmin de Ponta do Inglês. Wanneer je weer eens terugkeert naar Coimbra-B. Je zult de bommen van Atocha niet vergeten. Evenmin de mijnen en hinderlagen van de Ponta do Inglês. Nog minder de raketgranaatwerpers. De Kalasjnikovs.
En de dodelijke roofvogel die je vanuit de kruin van de kapokboom bespiedde.

Het artikel werd geschreven op 25 maart 2004 en herzien in juli 2026. Vertaling: Henk Eggens. Het origineel in het Portugees is te lezen op de weblog die door Luís Graça wordt gemodereerd. Hier de link.
Voetnoten:
- Fontes Pereira de Melo was meerdere malen premier en minister van Openbare Werken. Onder zijn leiding werden enorme investeringen gedaan
Fontismo is de benaming voor het economische en politieke beleid dat met Fontes Pereira de Melo wordt geassocieerd. Kernpunten: een sterke rol van de staat, aanleg van infrastructuur, industrialisatie en economische groei met behulp van buitenlandse leningen. De keerzijde: de enorme investeringen werden grotendeels gefinancierd met schulden. ↩︎ - Verwijzing naar José Saramago’s roman Het stenen vlot, waarin het Iberisch schiereiland losbreekt van Europa en over de oceaan drijft. ↩︎
- De schrijver herinnert zich: Op de ochtend van 26 november 1970 liepen Portugese militaire eenheden, ongeveer 250 soldaten, op de landweg tussen Xime en Ponta do Inglês, in Portugees-Guinea, in een hinderlaag van de bevrijdingsbeweging PAIGC. De gevolgen waren zwaar: zes Portugese militairen sneuvelden en negen militairen raakten zwaar gewond. ↩︎
- Lezíria is de vruchtbare alluviale vlakte langs de Taag. Een campino is de traditionele Portugese ruiter en veehoeder van de Taagvlakten. Gado bravo is het halfwilde rundvee dat wordt gefokt voor stierengevechten. ↩︎
- In Viseu wordt Viriatos vaak gebruikt als bijnaam voor de inwoners. De stad voelt zich sterk verbonden met Viriato, de legendarische leider van de Lusitaniërs in de 2e eeuw v.Chr. ↩︎




Geef een reactie