In Noord-Portugal (Minho, Trás-os-Montes en hier en daar in de Beira) zie je melkhuisjes (postos de recolha de leite) langs de wegen staan.
Deze melkhuisjes waren de eerste schakel in een coöperatief systeem dat vanaf de jaren 1940 en 1950 werd opgebouwd en dat tientallen jaren het Noord-Portugese platteland bepaalde.
De meeste boeren hadden één of hooguit een paar melkkoeien. ’s Ochtends en ’s avonds werd met de hand gemolken. De familie hield wat melk voor eigen gebruik en bracht de rest in aluminium melkbussen naar het verzamelpunt. Vaak deden de vrouwen dit lopend of met een ezel of kleine kar.
Bij het melkhuisje werd de melk gewogen. Er werd een monster genomen om het vetgehalte en de kwaliteit te controleren. De hoeveelheid werd op naam van de boer geregistreerd. De melk werd gekoeld in grote gekoelde tanks of tijdelijk opgeslagen totdat een tankwagen arriveerde. In de oudste gebouwen gebeurde de koeling aanvankelijk nog met water of ijs. Later werden mechanische koeltanks geplaatst.
Een tankwagen haalde de melk op bij meerdere verzamelpunten. In de fabriek werd de melk gepasteuriseerd of verwerkt tot boter, kaas, yoghurt of later gepasteuriseerde melk. De opbrengst ging terug naar de boeren via de coöperatie. De productie van melk was voor deze vaak kleine melkveehouders een stabiel inkomen.
Portugal kende destijds heel veel kleine familiebedrijven. Een individuele boer produceerde vaak slechts 20 tot 100 liter melk per dag. Het melkhuisje maakte gezamenlijke inzameling economisch haalbaar. De coöperaties konden een constante kwaliteit garanderen en de boeren een betere prijs bieden. Ook lukte het deze coöperaties om in een modernere zuivelverwerking te investeren.
In Portugal werd deze sector pas vanaf de tweede helft van de 20e eeuw sterk gemoderniseerd, terwijl de Nederlandse zuivelsector al veel eerder grootschalig en exportgericht was.

Veel melkhuisjes zijn nooit gesloopt omdat ze klein en degelijk gebouwd waren. Ze worden tegenwoordig gebruikt als schuurtje of opslagruimte of transformatorhuisjes.
In Areosa (Viana do Castelo) op de kustweg van Âncora naar Viana do Castelo staat zo’n melkverzamelpunt. Het gebouw illustreert de evolutie van de landbouw- en handelspraktijken in de regio. De streek rond Viana do Castelo en Braga was een van de dichtst vertakte gebieden met melkverzamelpunten, omdat vrijwel ieder dorp enkele kleine melkveehouders had.
Ontwerp
Deze kleine gebouwen maakten deel uit van een nationaal infrastructuurprogramma ter ondersteuning van de plattelandswereld. Ze zijn ontworpen via standaardprojecten, die worden gepromoot door lokale landbouwcoöperaties of landbouwgilden. Hoewel de bouw van het melkhuisje afhankelijk was van de regio (vaak ontworpen door ingenieurs of ontwerpers van stadhuizen en coöperaties), werd de constructie ervan geïntegreerd in de moderniseringsstrategie van de landbouw en de veehouderij. Op stedelijk niveau hadden de grootste fabrieken of laboratoria (zoals die in Lissabon, geopend in 1903 en ontworpen door Miguel Ventura Terra) gerenommeerde architecten, maar de dorpsstations waren alleen gericht op de praktische functie van wegen, koelen en verzenden.
Agros, en andere organisaties, richtten deze inzamelpunten vanaf 1951 officieel op en speelden daarmee een centrale rol in dit verwerkingsnetwerk.
Van melkhuisje naar coöperaties
In de periode van 1950 tot 1970 breidde het netwerk van melkontvangstposten sterk uit. Daarna kregen boeren grotere bedrijven en hun eigen koeltanks. Tankwagens konden daardoor rechtstreeks naar de boerderij rijden.
Na de toetreding van Portugal tot de EEG in 1986 golden de strengere Europese hygiëne- en kwaliteitseisen. Bedrijven werden groter en de kleine melkveehouders stopten, waardoor de verzamelhuisjes overbodig werden.
Vanaf 1990 werd de melk rechtstreeks bij de boer opgehaald. De grote coöperaties concentreerden zich op transport en verwerking. Agros, het belangrijkste knooppunt van de coöperatieve melksector in de Minho, richt zich sinds 1996 vooral op het ophalen van rauwe melk bij producenten en de dienstverlening aan melkveehouders.

Melkcoöperatie in Vila Praia de Âncora
De melkfabriek werd opgericht in 1894. Naast de boter- en zuivelindustrie was het bedrijf ook actief in de maal- en zaagselsector. Later verhuisde de Fábrica do Leite (Empresa de Lacticínios Âncora) naar het Lugar do Santo in Vila Praia de Âncora en werd deze in 2003 definitief gesloten. Het draaiend houden van de fabriek was financieel onhoudbaar geworden omdat de zuivelactiviteiten in de regio afnamen door herstructurering van de sector en door concurrentie van grote industriële distribiteurs als een Danone. De onderneming werd in 2017 officieel geliquideerd.
Weidegang
In de noordelijke regio’s van Portugal (waar de meeste melkveehouderijen gevestigd zijn) staan koeien vaak permanent binnen. Dit komt omdat het in de zomer vaak te warm en te droog is, waardoor de grasgroei stilvalt en de koeien op stal koeler blijven. De Azoren vormen hierop een uitzondering. Op deze eilanden is het klimaat veel milder en evenwichtiger, waardoor de melkveehouderij daar wél grotendeels gebaseerd is op weidegang.
Hoewel de Portugese koeien niet vrij grazen, wordt hun gezondheid nauwlettend in de gaten gehouden om de melkkwaliteit te garanderen, ziekten te voorkomen en te voldoen aan de geldende Europese regelgeving. De beesten krijgen gecontroleerde en zorgvuldig samengestelde rantsoenen, die de melkproductie maximaliseren en voedingstekorten voorkomen. Door de stalling, die moet voldoen aan specifieke eisen voor ventilatie, temperatuur en luchtvochtigheid, kunnen ademhalingsproblemen, infecties, gedragsveranderingen en beenblessures (zoals hoefbevangenheid) snel worden opgespoord.
In Nederland is de situatie anders. De weersomstandigheden zijn gematigder en de sector kent strenge richtlijnen. Ongeveer 70 tot 80 procent van de Nederlandse melkveehouderijen past een vorm van ‘weidegang’ toe. Dit houdt in dat de koeien een aanzienlijk deel van het jaar (minimaal 120 dagen, 6 uur per dag) buiten in de wei lopen. Volgens het CBS staan ongeveer 69 procent van de melkkoeien een deel van het jaar in de wei, terwijl een groeiende minderheid van circa 31 procent permanent op stal verblijft.
Volgens data over de Europese melkveesector ligt het percentage weidegang in Zuid-Europa over het algemeen onder de 30 procent, met Portugal als relatieve uitzondering door de Azoren.
Consumptie
Nederlanders met hun lange traditie van melk drinken, consumeren gemiddeld meer melk en zuivel dan Portugezen. In Nederland is zuivel vaak een zelfstandig onderdeel van de maaltijd (melk, karnemelk, vla, yoghurt). En onze kaasconsumptie behoort tot de hoogste ter wereld. Portugal consumeert relatief veel yoghurt en verse kazen. Een belangrijk deel van de zuivelconsumptie zit bovendien verwerkt in desserts en gebak.
Hoewel Portugal veel kleine melkveehouders had, was de productie lange tijd vooral een manier om een stabiel inkomen voor boeren te creëren. Pas vanaf de tweede helft van de 20e eeuw werd de sector sterk gemoderniseerd, terwijl de Nederlandse zuivelsector al veel eerder grootschalig en exportgericht was.




Geef een reactie