Pessoa kampte met periodes waarin er niets uit zijn handen kwam. Weken kon hij niets op papier krijgen.
In mijn reisaantekenboekje staat het volgende geschreven: ‘Er komt niets meer uit mijn handen’, zei Frans Budé, een bevriende dichter. ‘Mijn handen zijn lege dingen geworden. Naast mij ligt dagenlang de schrijfpen te wachten. Hij dringt niet aan om opgepakt te worden. Nutteloos houdt hij mij in de gaten. Mijn denken en voelen staan stil. Ik besef dat mijn bewustzijn gevuld is met kapok en verder leeg. Ik hap naar adem van schrik. Elke dag wandel ik door de stad en luister naar de belletjes van de tram. Vandaag ziet de stad eruit als een uitstalkast. De zon gaat onder en ook schrijfpen en wit papier verdwijnen in de nachtelijke schaduw totdat ze morgen weer helder tevoorschijn komen’.
Ik ben bedroefd terwijl ik dit opschrijf. Waar ben ik als de schroefdop van de pen wordt vastgedraaid? Bestaat dit echt of is het fantasie? Ik giet het in woorden omdat er verder niets is.
Dagenlang loop ik rond met een blauw oog, veroorzaakt door een aanvaring met een grote eikenboktor. Gelukkig ben ik niet blind aan het oog.

Ik zet mijn fiets tegen de vuurtoren van Cabo de São Vicente, het meest zuidwestelijke punt van Europa. Het waait hard. Onaangenaam bijt ik op de zandkorrels tussen mijn tanden.
Het blauwe oog en de nacht in het kleine hotel waar de waterleidingen als mitrailleurs beginnen te trillen, als je de kraan opendraait. Ik ben stomverbaasd dat het hotel een televisie heeft. De eigenaresse zegt dat het toestel nauwelijks beelden kan ontvangen en dat ze de eerste Portugese televisie-uitzending, ergens rond 1956 op de Feira Popular in Palhavã, Lissabon, zag en dat ze daarna een televisie kocht.
De lakens zijn stug en lijken te zijn gewassen met zeewater. Ik ontbijt met brood van de vorige dag en reuzel in plaats van boter. Een groot glas koffie, meer melk dan … en suiker. Een Salazaristisch ontbijt, waarmee de schoolkinderen de hele dag hun maag moeten stilhouden.
De zee steekt zijn klauwen uit naar de grijze lucht. Tekenen lukt niet vandaag, gisteren maakte ik een schets van een vrouw die op veel vrouwen lijkt.
Ik besluit verder richting Sintra te fietsen. En wie weet is daar een goed restaurant met goede wijn om het zand tussen de tanden weg te spoelen. Op de vraag van een voorbijganger wat er met mij gebeurd is, antwoord ik leugenachtig maar echt: ‘Ze wil niet dat ik bij haar wegga zonder dat iedereen het ziet.’
‘Dan houdt ze echt van je.’
‘Dat moet ik nog uitzoeken.’
We kijken elkaar aan zonder te zeggen: wat een onzin!
Dit is nr. 10 van het feuilleton – wordt vervolgd




Geef een reactie